Uitspraken Gezamenlijke ReglementsCommissie februari 2000

 

Onderstaand treft u een aantal uitspraken aan naar aanleiding van vragen die eind 1999 en begin 2000 aan de GRC gesteld zijn. De vragen zijn (uiteraard) beantwoord op basis van de Routebeschrijvingsreglementen 2000. Alle uitspraken hebben betrekking op het DRR.

Artikel 2    Routebeschrijving

Vraag 1:

Hoe moet men handelen in onderstaande situatie? Dient men bij meerkeus door te gaan met de aanhoudend-opdracht waarmee men bezig was?

1. 2e weg R
2. aanhoudend weg R
3. weg inrijden
4. na kerk

Antwoord:

Als je voor de tweede maal op situatie x arriveert is het uitvoeren van routeop-dracht 3 niet mogelijk. Je hebt meerkeus, want je kunt de rechterweg inrijden door rechts te gaan, maar óók door links te gaan! In zo’n geval ga je door met de aanhoudend-opdracht waarmee je bezig bent. In dit geval dus gedwongen naar links, want de rechterweg is al gebruikt. Via de ritpijl beland je via y-z weer op situatie y, waar routeopdracht 3 uitvoerbaar is door de rechterweg in te rijden. Je hebt hier géén meerkeus, ook al kan je door rechtsaf te slaan de weg voor je inrijden. Volgens artikel 8e dien je steeds de eerste weg die je benadert te gebruiken, en dat is de rechterweg! Ter hoogte van z kom je dan na de kerk van routeopdracht 4. Bij RC “A” opnieuw beginnen met routeopdracht 4 en dan dus niet dezelfde kerk nogmaals gebruiken!    Goed: AAB

 

Artikel 5    Wegen en gelegenheden

5. eenrichtingsgelegenheid
6. eenrichtingsweg L

Vraag 2:

Tijdens een rit werd ik geconfronteerd met bovenstaande situatie en bijbehorende routeopdrachten. Volgens de uitzetter zijn routeopdrachten 5 en 6 niet uitvoerbaar, omdat zo’n routeopdracht alleen kan worden uitgevoerd bij een eenrichtingsweg (dus zonder verkeersbord aanduidende parkeerplaats of (woon)erf).

Antwoord:

Noch het verkeersbord aanduidende parkeerplaats, noch het verkeersbord aanduidende erf duidt een karakter aan. Er bestaan slechts vijf karakters, aangeduid door de verkeersborden aanduidende eenrichtingsweg, B-weg, voorrangsweg, autoweg en autosnelweg. Zodoende is routeopdracht 5 uitvoerbaar door A in te rijden en routeopdracht 6 door B in te rijden.

 

Vraag 3:

In mijn ogen is een weg met gescheiden rijbanen geen eenrichtingsweg. Er is hoogstens sprake van een eenrichtingsrijbaan. Een aanduiding dat ik ter plaatse geen tegenliggers hoef te verwachten. Het verkeersbord aanduidende eenrichtingsweg heeft dan ook geen betrekking op het karakter van de weg. Net zo min als een verkeersbord aanduidende parkeerplaats van een weg een gelegenheid maakt als dat bord kennelijk betrek-king heeft op een parkeervak (zie DRR fig. 18, van A naar H, routeopdracht 1).Wellicht brengt artikel 5i, laatste alinea, hier nog wat duidelijkheid in.

Antwoord:

Er zit veel waars in de redenering van de vragensteller. Omwille van de eenvoud en de eenduidigheid heeft de GRC echter besloten vast te houden aan de beoordeling van het karakter van gelegenheden zoals omschreven in art. 5g in combinatie met art. 5e. Enkele voorbeelden, alle met routeopdracht:

7. eenrichtingsweg L

 

Routeopdracht 7 is niet uitvoerbaar vanuit pijl 1 (verkeersbord staat niet ‘in’de linkerweg), maar wel vanuit de pijlen 2 en 3.

 

Vraag 4:

Hoe dien ik in onderstaande situatie (weg met gescheiden rijbanen, waarvan een rijbaan een asfaltwegdek en de andere rijbaan een klinkerwegdek heeft, waarbij de asfaltrijbaan breder is dan de klinkerrijbaan) met bijbehorende routeopdrachten te handelen?

8. voor asfaltweg R
9. voor klinkerweg R
10.asfaltweg volgen

Antwoord:

Bij de beoordeling van een weg dient de gehele wegbreedte in ogenschouw genomen te worden, ook van een weg met gescheiden rijbanen. Daarbij wordt geen onderscheid gemaakt tussen beoordeling vóórdat men zo’n weg oprijdt of dat men reeds rijdt op een weg met gescheiden rijbanen. Met de tweede alinea DRR artikel 5i  (rijbaan waarop men rijdt aanmerken als de bereden route) wordt bedoeld dat te beoordelen oriënteringspunten zich (gedeeltelijk) rechts van de as van de rijbaan waarop men rijdt en dat linkerwegen die niet rechtstreeks ingereden kunnen worden niet uitmonden en dus niet in de beoordeling betrokken mogen worden.

Kortom:

  • routeopdracht 8 is uitvoerbaar door weg A in te rijden. Tussen A en B bestaat het grootste gedeelte van de breedte van de weg uit asfalt.
  • routeopdracht 9 is uitvoerbaar door weg E in te rijden. Tussen B en C en tussen C en D ook de gehele wegbreedte in ogenschouw nemen, weg F niet in de beoordeling betrekken en niet voor de links gelegen weg tussen D en E handelen.
  • routeopdracht 10 is uitvoerbaar door weg C in te rijden. Weggedeelte tussen A en B en tussen B en C is asfaltweg. Tussen C en D gaat de weg over van asfalt in klinkers, dus kan de routeopdracht uitgevoerd worden.

 

Artikel 8    Oriënteringspunten

Vraag 5:

Dient een stukje weg of rijbaan waaronder een duiker ligt (die als afvoerpijp fungeert) en dat is voorzien van een (laag) muurtje als brug aangemerkt te worden?

Antwoord:

Een deelnemer moet vanuit de auto redelijkerwijs kunnen beoordelen of het om een brug gaat of niet. Het bouwwerk om de duiker lijkt vanuit de auto, zeker als je er overheen rijdt, ongetwijfeld op een brug. In dat geval kan het dus als zodanig aangeduid en gebruikt worden.

 

Artikel 9    Voorzetsels

Vraag 6:

In onderstaande situatie spitst de vraag zich toe op de beoordeling van de brug. Wanneer vindt dat precies plaats en hoe dienen de voorbeeldopdrachten dan uitgevoerd te worden?

11.na lantaarnpaal R
12. aanhoudend asfaltweg L
13. na lantaarnpaal,voor brug R
13. na lantaarnpaal, bij brug L
13. na brug R
13. na lantaarnpaal en brug R

Antwoord:

Met bij en voor oriënteringspunt R(L) bereikt men het oriënteringspunt op het moment dat men de routeopdracht kan uitvoeren (art. 9f). Voor een brug geldt tevens dat-ie deel moet uitmaken van een weg die uitmondt op de bereden route of  van de weg waarop je rijdt (art. 8i). Dit houdt in dat de 1e routeopdracht 13 uitgevoerd kan worden door weg A in te rijden en dat de 2e routeopdracht 13 niet uitvoerbaar is: de brug voldoet ter hoogte van weg B, het punt van beoordelen, niet aan de criteria van artikel 8i.

Met na oriënteringspunt R(L) bereikt met het oriënteringspunt op het moment dat men redelijkerwijs kan constateren dat men er na is (art 9d). En natuurlijk gelden ook hier de criteria van artikel 8i. Dit houdt in dat de brug als zodanig beoordeeld moet kunnen worden als je ernaar op zoek bent en dat op dat punt óók geconstateerd moet kunnen worden dat je er na kunt komen.

De 3e routeopdracht 13 is in eerste instantie niet uitvoerbaar: ter hoogte van weg A mondt de brug wel uit en je kunt ook waarnemen dat je er na kunt komen, maar vóórdat dat gebeurt kan je nog doorgaan met routeopdracht 12. In tweede instantie is de routeopdracht uitvoerbaar door weg C in te rijden.

De 4e routeopdracht 13 is uitvoerbaar door weg C in te rijden (gelijk aan ‘tweede instantie’ bij de 3e routeopdracht 13).

De 5e routeopdracht 13 is niet uitvoerbaar, want eenmaal na de lantaarnpaal voldoet de brug niet meer aan de criteria van artikel 8i.

 

Vraag 7:

Hoe dient men nu precies te handelen bij onderstaande voor-opdracht?

Volgens de uitzetter uitvoeren door weg A in te rijden. Lantaarnpaal 1 kan men dichter benaderen door rond te rijden, maar dan rijd je lantaarnpaal 2 voorbij.

Lantaarnpaal 2 kan men óók wel dichter benaderen, maar dan gebruik je de eerste lantaarnpaal niet. Daarom direct weg A inrijden!

14. voor lantaarnpaal R
15. einde weg L

Antwoord:

De interpretatie van de uitzetter is onjuist. Bij voor-opdrachten dient men het gevraagde oriënteringspunt zo dicht mogelijk te benaderen. Dat doe je door je op elke samenkomst van gelegenheden af te vragen of dat de laatste mogelijkheid is voor het gevraagde oriënteringspunt of niet. Zo ja: handelen, zo nee: doorrijden (cq doorgaan met een eventuele aanhoudend-opdracht)!

In bovenstaande situatie werkt dat als volgt:

Ter hoogte van weg A is waar te nemen dat er een latere mogelijkheid is voor lantaarnpaal 1 (weg C) en ook een latere mogelijkheid voor lantaarnpaal 2 (weg B). Doorrijden dus. Ter hoogte van weg B staat alleen lantaarnpaal 2 voor je en dat is tevens de laatste mogelijkheid voor die lantaarnpaal: routeopdracht daar dus uitvoeren! Goed: E

 

Artikel 10  Teksten

Vraag 8:

Volgens de uitleg van de uitzetter zijn onderstaande opdrachten uit te voeren na een bord in de vorm van het cijfer 2 met daarop de tekst BEZOEKERS. Is dat correct?

16. na twee “BEZOEKERS” rechts
17. na 2 “BEZOEKERS” rechts

Antwoord:

Routeopdracht 16 is volgens de genoemde uitleg uitvoerbaar, maar route-opdracht 17 is foutief en mag derhalve niet gegeven worden. Als het cijfer 2 gebezigd wordt, dan kan dat nooit een (bord in de vorm van een) tekst “2” zijn, want dan hadden aanhalingstekens gebruikt moeten worden. Vergelijk onder-staande routeopdrachten als je een bord met de tekst A passeert:

18. na “A” rechts                    - prima uitvoerbaar
19. na klinker rechts             - prima uitvoerbaar
20. na letter rechts                - prima uitvoerbaar
21.na A rechts                        - niet toegestaan, aanhalingstekens verplicht!

 

Vraag 9:

Is het toegestaan om teksten met getallen erin af te breken?

De tekst ‘in het veld’ is  GESLOTEN VAN 19.00-21.00 UUR.

De tekst in de routebeschrijving (aan het eind van de regel!) luidt: 

GESLOTEN VAN 19.00-

21.00 UUR.

In de Nederlandse taal is het afbreken van woorden duidelijk geregeld, maar wat te doen met getallen?

Antwoord:

Het afbreken van getallen (al of niet voorzien van koppelstreepjes) is inderdaad niet eenduidig geregeld in de Nederlandse taal. De GRC heeft besloten het afbreken van getallen (met of zonder koppelstreepjes) niet toe te staan. Dat houdt in dat bovenstaande tekst wel mag voorkomen in een routeopdracht, maar dat de cijferdelen van de tekst ‘in het veld’ dan ook daadwerkelijk gescheiden moeten zijn door een spatie of regelovergang.

 

Vraag 10:

De routeopdracht luidt: 22. na RC “IJ” rechts.

Natuurlijk mag ik dan een RC met het opschrift  IJ  naar rechts. Maar eigenlijk zijn het 2 letters, dus mag ik dan na een willekeurige RC ook de gelegenheid met de naam  IJ  of   Ij  inrijden?

Antwoord:

Artikel 10a, eerste zin, geeft antwoord op de vraag: “Een oriënteringspunt dat in de routeopdracht in hoofdletters en tussen aanhalingstekens staat vermeld, moet men als tekst waarnemen.”. Op grond hiervan is routeopdracht 22 op slechts één manier te interpreteren: men dient na een RC voorzien van de tekst  IJ  rechts te gaan.

 

Artikel 11  Richting

Vraag 11:

De laatste tijd worden we steeds vaker geconfronteerd met de routeopdracht:
 

‘weg Ri Ede’.

Is zo’n routeopdracht eigenlijk wel toegestaan en zo ja, hoe voer je die routeopdracht dan uit?

23. weg Ri Ede

Antwoord:

De routeopdracht is toegestaan. Het betreft hier feitelijk een specificering van de routeopdracht ‘Ri Ede’, nl. dat dat via een weg moet gebeuren.

Dat betekent echter niet dat de routeopdracht kan worden uitgevoerd in alle gevallen waarin de route naar Ede over een weg loopt! In bovenstaande situatie bijvoorbeeld is géén sprake van meerkeus: de routeopdracht is alleen uitvoerbaar door weg A in te rijden, want op grond van artikel 8b2 mogen bij dit soort routeopdrachten geen linkerwegen als oriënteringspunt gebruikt worden.